De Blik van Dick

 

Bruggetje

 

‘Heeft er iemand een suggestie voor mijn volgende verhaaltje?’

‘Wat dacht je van de naam van dit restaurant! Een prachtig bruggetje’, antwoord dochter Sandra, die Suriname vorig jaar ook heeft bezocht. Ze is vandaag jarig en heeft ons en nicht Eef uitgenodigd voor een etentje in restaurant De Plantage, gevestigd in het schitterend gerestaureerde gebouw De Ledenlokalen (1870). Hier werden destijds de leden van Artis ontvangen, in 1939 werd het bevolkingsregister er gevestigd (in de oorlog doelwit van de beroemde aanslag van de verzetsgroep van Gerrit van der Veen) en later was de ruimte in gebruik als opslagplaats van het Zoologisch Museum. Vele tientallen skeletten waren van buitenaf te zien en daarom kreeg het de bijnaam ‘Gratenpakhuis’, een term die in Mokum eigenlijk is weggelegd voor een veel te dunne vrouw. Het restaurant ligt midden in de Plantagebuurt en heeft daar ook zijn naam aan ontleend. Met koffie- of suikerplantages heeft dat niets te maken. De naam stond voor de groene lusthof die de buurt ooit had moeten worden, met buitenplaatsen voor rijke Amsterdammers. Het bruggetje tussen het restaurant en de plantages in Suriname is dus puur associatief, maar toch: ‘Dank voor de suggestie, San!’

Al mijmerend zie ik ons weer fietsen naar Frederiksdorp. Vanaf het hotel aan de Waterkant eerst naar Leonsberg, vandaar overgestoken naar Fort Nieuw Amsterdam en dan verder peddelen naar Marienburg om een bootje te zoeken dat ons naar Johanna Margaretha kan overzetten. Daar drinken we op het terrasje van de commestiebelenwinkel (naast Eethuis Sandra!) eerst een flesje cola. We fietsen nog een klein stukje langs de rivier en als we Frederiksdorp zien liggen zegt Joke: ‘Of je een schoolplaat binnenrijdt, of zo’n diorama van het Tropenmuseum!’ Planterswoningen, koningspalmen, een sluisje, sloten en dijkjes; een Hollands poldertje in tropenoutfit. Een plaatje dat helemaal voldoet aan het zeer romantische beeld dat ons op school over de koloniën is voorgehouden. Daar werd dan wel bij verteld dat het werk op de plantages werd gedaan door slaven die uit Afrika waren gehaald, dat die natuurlijk wel eens straf kregen als ze lui waren of een misdrijf hadden begaan, en dat het allemaal natuurlijk niet helemaal ‘netjes’ van ‘ons’ was geweest, maar dat die slaven verder toch een prima leven hadden.

 

Was dat onkunde? Wat hebben onze (over)grootouders tenslotte geweten over hoe het er in de koloniën aan toeging, behalve dat de koningin er altijd hartelijk werd ontvangen en toegejuicht? Ik denk niet veel. Of is ons bewust een veel te rooskleurig beeld voorgehouden om deze inktzwarte pagina’s van onze geschiedenis te verdoezelen? Ergens moesten toch wat kwartjes liggen die duidelijk konden maken hoe het echt was geweest.

Mijn eerste kwartje viel toen ik lid werd van de Wereldwinkel in de Watergraafsmeer en me met zuidelijk Afrika ging bezighouden. Koloniën waren tenslotte koloniën, overal ging het er ongeveer hetzelfde aan toe. Of dat in Suriname was, in Nederlands Indië, op de Antillen, Zuid-Afrika, of welk overzees gebiedsdeel van welk land dan ook, overal werd onderdrukt, gemarteld, gemoord; overal werden slaven en inheemsen beschouwd als gratis arbeidskrachten en niet als mensen. Vandaar dat ze op de slavenschepen ook redelijk goed werden behandeld: hoe meer er levend de overkant bereikten, hoe meer handelswaar.

Het tweede kwartje was ‘De stille plantage’ van Albert Helman, dat ik in mijn gymnasiumtijd van tante Marietje kreeg in de uitvoering uit de Salamander-reeks. Een briljant geschreven, indringend en beklemmend boek, dat gaat over een protestants gezin dat Frankrijk moet ontvluchten, via Amsterdam in Suriname terechtkomt en daar een concessie voor een plantage verwerft. Uit alle macht proberen ze een menselijk benadering van de slaven in te voeren, maar worden daarin gedwarsboomd door andere plantagehouders, misoogsten, ziekte, overlijden en vooral door de opzichter die ze op voorspraak van hun buren aanstellen. Uiteindelijk moeten ze het opgeven en slijten de rest van hun leven in Engeland. Ik heb het boek gelezen en vele malen herlezen. Een paar jaar geleden ontdekte ik dat Helman dit boek eigenlijk zag als een ‘jeugdzonde’ en dat hij het jaren later, volwassener en wijzer geworden, opnieuw heeft geschreven onder de titel ‘De laaiende stilte’. De verhaallijn is hetzelfde maar wordt veel genuanceerder gebracht, met veel meer diepgang, nog veel indringender en beklemmender.

En dan is er het derde kwartje: onze bezoeken aan Frederiksdorp en Bakkie, de verhalen die de familie Hagemeijer en Marsha Mormon en Bas Spek ons hebben verteld, hun kleine maar o zo veelzeggende musea waarin ze ons hebben rondgeleid. En later ook de verhalen van onze Saramaccaanse vrienden en vriendinnen (tenslotte allemaal nakomelingen van gevluchte slaven), tijdens bezoeken aan het Saramacca-museum in Pikin Slee, documentaires die we hebben gezien, de boeken van Cynthia McLeod, zoals ‘Hoe duur was de suiker’.

Natuurlijk werden slaven niet iedere dag afgeranseld -de plantage-eigenaren waren slim genoeg om te beseffen dat ze dan niet meer konden werken- maar de zweep werd wel degelijk overvloedig gebruikt. Mindere vergrijpen werden bijvoorbeeld bestraft door mensen in de brandende zon dagenlang in de suikerkookpotten te laten roeren; voor (vermeende) ernstige misdaden werden mensen doodgeranseld, aan vleeshaken opgehangen of aan de galg gebracht. Langs de Warappakreek zien we restanten van giftige cactushagen, bedoeld om slaven te beletten om te ontvluchten, maar diezelfde slaven moesten ze ook aanplanten. Uitgekiende, weerzinwekkende straffen, waarvan je je afvraagt hoe mensen die kunnen verzinnen. In het bagno in Frans Guyana zouden we later nog meer van dit soort misdaden tegen de menselijkheid tegenkomen.

En dan heb ik het er nog niet over dat de slavernij door Nederland officieel in 1863 werd afgeschaft, maar formeel pas tien jaar later. De plantages moesten nu eenmaal blijven draaien -economie is altijd belangrijker dan wat dan ook- en dus werden slaven verplicht om er nog tien jaar te blijven werken. Ondertussen werd gewerkt aan vernuftige plannen om nieuwe goedkope arbeidskrachten te laten komen: de contractarbeiders uit India en Indonesië.

Hoeveel tranen zullen er hebben gevloeid op de gronden van de plantages, van verdriet, van pijn, van woede en angst. Het is goed als die tranen daar blijven, als een monument. Om te voorkomen dat ze wegspoelen heb je die oude sluisjes nodig. Aan bruggetjes heb je dan niet veel.

 

Dick Spijker

www.deblikvandick.nl

www.facebook.com/deblikvandick

 

Afbeelding: Diorama Plantage Zeezigt (Rijksmuseum)